Het persoonlijk gebed in de woonbegeleiding

Dit is een afgerond onderzoek van Liesbeth van der Horst, woonbegeleider bij Eleos. Hieronder vindt u een samenvatting van haar onderzoek. Onderaan de pagina kunt u het volledige onderzoeksrapport downloaden.

Dit is de samenvatting van het onderzoek waarin de vraag centraal stond welke praktische handreikingen begeleiders in de Beschermende Woonvormen van Eleos nodig hebben om het persoonlijk gebed met cliënten als ‘spirituele interventie’ vorm te kunnen geven. Het onderzoek was een vervolg op het onderzoek van Kleiberg (2012, 2013), wat op enkele BW’s heeft plaatsgehad. Onderhavig onderzoek (2016) is uitgevoerd op alle elf BW’s van Eleos, te weten zeven Reformatorische BW’s (RBW’s) en vier Gereformeerde (GBW’s).

In dit document beschrijf ik kort de onderzoeksvraag, de opzet en de uitwerking van het onderzoek en bied ik een samenvatting van de resultaten. De belangrijkste citaten zijn als bijlage toegevoegd omdat ze de basis van het onderzoek vormen, maar daarnaast ook kleur geven aan de onderzoeksgegevens.

Onderzoeksvraag

Welke praktische handreikingen hebben begeleiders in de Beschermende Woonvormen van Eleos nodig om het persoonlijk gebed met cliënten als ‘spirituele interventie’ vorm te kunnen geven?

Onderzoeksopzet

Literatuur

In de literatuurstudie is onderzocht wat gebed is, welke varianten er bestaan, welke betekenis het gebed voor iemand kan hebben en op welke manier het gebed in de hulpverlening vorm kan krijgen. In de documentstudie is in kaart gebracht welke plaats tot nu toe in de hulpverlening en -meer specifiek- in de woonbegeleiding van Eleos gegeven wordt aan vormgeving van persoonlijk gebed met cliënten. Zowel de literatuurstudie als de documentstudie hebben geleid tot de vorming van een theoretisch kader, inclusief conceptueel model, wat als leidraad heeft gediend voor het praktijkgerichte onderzoek onder de begeleiders.

Empirie

Vervolgens zijn de begeleiders maximaal aan het woord gekomen over hun belevingen en behoeften middels kwalitatieve informatieverzameling. In elk team is aan de hand van een format een teamgesprek gehouden, met aanvullend een tweetal interviews per locatie. Een aantal interviews zijn met de zogeheten ‘aandachtsfunctionarissen identiteit’ gehouden (10), het merendeel echter met zich vrijwillig opgegeven begeleiders (12).

De kwalitatieve gegevens zijn ingevoerd in het databaseprogramma ‘Kwalitan’. De gegevens zijn van codes voorzien en na een analyse, zijn conclusies getrokken.

3. Conclusies

3.1 Deelvraag 1: Wat is volgens begeleiders het belang van persoonlijk gebed met cliënten in de woonbegeleiding?

Ondersteuning door begeleider

In vrijwel alle interviews noemen begeleiders dat zij het de meerwaarde van een christelijke woonvorm vinden dat er ook aandacht is voor het levensgebied ‘spiritualiteit’ van de cliënt. In de GBW’s wordt dit maximaal, in alle interviews, benadrukt en bij de RBW’s in 9 van de 14 interviews.

Het aanbieden van hulp bij het persoonlijk gebed kán volgens de meerderheid van de geïnterviewde begeleiders tot de taak van de begeleider behoren en past bij de christelijke identiteit en begeleiding waar cliënten voor kiezen. Op een Reformatorische woonvorm heeft de begeleiding de visie ontwikkeld dat een begeleider het persoonlijk gebed tot God niet met woorden aanvult of overneemt van een cliënt; er kan wel coachende ondersteuning door de begeleiding gegeven worden, als ook kan het pastoraat betrokken worden.

Manieren van ondersteuning

Er wordt in het onderzoek uitgegaan van drie verschillende mogelijkheden voor ondersteuning van het persoonlijk gebed in de woonbegeleiding, afhankelijk van de behoeften en mogelijkheden van de cliënt en de begeleider. Hierbij wordt, passend bij de herstelbenadering, de zelfredzaamheid van de cliënt zoveel mogelijk bevorderd.

  • de cliënt bidt zelf, in aanwezigheid van de begeleider
  • zowel de cliënt als de begeleider bidden afwisselend
  • de begeleider bidt, in aanwezigheid van de cliënt.

Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat het inzetten van spirituele interventies, zoals het gebed, de psychische stabiliteit van de cliënt moet bevorderen. (‘Geloof en hulpverlening binnen cluster Care’, Eleos, 2009).

3.2 Deelvraag 2: Welke helpende factoren voor vormgeving van het persoonlijk gebed met cliënten worden door begeleiders in het onderzoek aangegeven?

Op de GBW’s zijn begeleiders er aanzienlijk meer van overtuigd dat cliënten van de mogelijkheid van hulp bij het persoonlijk gebed weten en lijkt deze mogelijkheid ook gemakkelijker voorgesteld te worden dan op de RBW’s. Dit is conform de bevindingen uit het onderzoek van Kleiberg (2012).

De volgende helpende factoren voor ondersteuning bij het gebed en een goede aansluiting op de cliënt worden zowel in de theorie als in de empirie naar voren gebracht:

Behoefte van de cliënt

Een begeleider moet de behoefte van de cliënt aan gebed duidelijk hebben, als ook weten wat tot deze behoefte leidt.

Vaardigheden van de begeleider

Een begeleider moet: vertrouwen en begrip uitstralen; zelf het gebed kennen; kunnen spreken over en goed kunnen luisteren naar spirituele onderwerpen; ook op spiritueel terrein de uniciteit van de cliënt in beeld hebben en op zichzelf kunnen reflecteren om moreel bekwaam te kunnen handelen.

Religieuze achtergronden

Een begeleider moet: eigen religieuze achtergrond kennen om zoveel mogelijk ontvankelijk te kunnen zijn voor de achtergrond van de cliënt; de religieuze achtergrond van een cliënt respecteren; deze achtergrond goed in beeld hebben en waar nodig middels vragen aanvullen en in kunnen schatten of er voldoende geloofsovereenstemming is om samen te bidden.

Psyche van de cliënt

Een begeleider moet: kennis hebben van de relatie tussen psyche en geloof; de professionele overtuiging hebben dat het bidden helpend kan zijn voor de cliënt; in kunnen schatten bij welke psychische problemen er beter niet gebeden kan worden en weten wanneer verwijzing naar een behandelaar dan wel het pastoraat geëigend is.

Kennis en scholing

Kennis en (bij)scholing zijn noodzakelijk om spirituele gevoeligheid te ontwikkelen en eventuele eigen blinde vlekken te ontdekken.

Transparantie en evaluatie van de spirituele zorg

Spirituele zorg, waaronder het gebed, moet transparant zijn en vraagt afstemming binnen het team; naast aandacht voor de spiritualiteit van de cliënt, is ook aandacht voor de spiritualiteit van de begeleider van belang; evaluatie met de cliënt is van belang om te bezien of de geboden ondersteuning bij het gebed aansluit bij diens behoeften.

3.3 Deelvraag 3: Wat zien begeleiders als belemmerende factoren bij de vormgeving van het persoonlijk gebed met cliënten?

Geen behoefte

Uit de empirie komt naar voren dat er bij sommige cliënten geen behoefte is aan hulp bij het persoonlijk gebed; dit wordt met name gezien bij cliënten met een Reformatorische geloofsachtergrond. Begeleiders houden hier rekening mee, maar gaan er bij deze cliënten soms ook te vanzelfsprekend van uit dat er geen behoefte is en peilen niet of zelden of hier ook verandering in is gekomen.

Verschil in geloofsbeleving

Een belemmering die het vaakst door begeleiders naar voren wordt gebracht is dat bepaalde cliënten, met name uit de RBW’s, het lastig vinden om te bidden met een begeleider die een andere geloofsbeleving heeft; God anders aanspreekt; zich anders kleedt dan iemand gewend is of wanneer een cliënt niet de overtuiging heeft dat de begeleider bij God hoort. Dit is een bevestiging van de eerdere conclusies uit het onderzoek van Kleiberg (2012, 2013).

Begeleiders geven aan met deze belemmeringen rekening te houden, maar tegelijk te zoeken naar datgene wat juist samenbindt om van daaruit te zoeken naar mogelijkheden voor aansluiting. In de theorie komt naar voren dat het helpend kan zijn als de hulpverlener bij de introductie erkent dat deze culturele verschillen bestaan. Op die manier kan het effect hiervan geminimaliseerd worden. Als het verschil te groot is, verdient stil gebed de voorkeur. (Gubi, 2008, p. 68).

Wisselend aanbod

Eveneens belemmerend kan zijn dat met name in RBW’s het aanbod van gebed wisselend aan de cliënt gedaan wordt: door sommige begeleiders proactief maar, zoals vermoed wordt, vaker reactief en pas na een expliciet verzoek van de cliënt. Een aantal keer is verondersteld in RBW’s dat niet alle begeleiders open durven zijn over hun moeite om een-op-een met een bewoner te bidden, er is daarom geen zicht op hoe vaak de behoefte van een cliënt niet beantwoord wordt. Hierbij kan meespelen dat deze begeleiders het moeilijk vinden om kwetsbaar of persoonlijk te durven zijn in het gebed, daarbij kunnen ook twijfels meespelen over de eigen verhouding tot God. In de literatuur wordt teruggevonden dat een hulpverlener het beangstigend kan vinden om in het bidden transparant te zijn voor God en het daarom uit de weg kan gaan (Webster, 2008, p. 49.)

Ziektebeeld

Het ziektebeeld kan een belemmering vormen om de door de cliënt gewenste inhoud te kunnen bidden en wel in die situaties waarin een begeleider inschat dat dit de psychische gezondheid zou kunnen ondermijnen. In de literatuur wordt ook geadviseerd dat het mogelijk beter is om niet te bidden bij een waan; een psychose; bij dwang; bij verslavingsgedrag of bij andere aspecten van een psychiatrische stoornis die maken dat men hier voorzichtig mee moet zijn. (Cook, 2011). Verhagen noemt daarentegen (p. 99 in Religie in de psychiatrie) dat er bij cliënten die psychische stoornissen hebben met een religieuze inhoud, tegelijk ook geloofsleven kan functioneren dat als steun aanwezig is en adviseert daar niet aan voorbij te gaan. Sommige begeleiders geven ook aan dat zij in bepaalde situaties waarin het ziektebeeld op de voorgrond treedt, wel met de cliënt bidden, maar dan meer algemeen om kracht, steun en nabijheid van God. Vooraf wordt dit uitgelegd en er wordt aan de cliënt toestemming gevraagd om de verlangde gebedsinhoud aan te mogen passen.

Geen aanbod en/of doorverwijzing

In situaties waarin de begeleider inhoudelijk niet achter de vraag om gebed kan staan, wordt dit besproken en wordt er niet of aangepast gebeden. Als de inhoud van de gebedsvraag meer thuishoort bij het pastoraat, dan volgt er een doorverwijzing. Bijvoorbeeld bij onderwerpen gerelateerd aan geloofstwijfel, persoonlijke schuld, vergeving en bekering, die structureel terugkomen. Of ook bij zeer specifieke vragen omtrent de seksuele geaardheid of bijvoorbeeld gebedsgenezing.

3.4. Deelvraag 4: Aan welke praktische ondersteuning ten aanzien van de vormgeving van het persoonlijk gebed met cliënten hebben begeleiders behoefte?

Handleiding

De behoefte aan een handleiding is wisselend. Men denkt dat dit mogelijk lastig is om op te stellen, omdat iedere begeleider, iedere cliënt en iedere situatie anders is. Sommige GBW-teams vinden dat ze genoeg basis hebben om zelfstandig te bidden met cliënten. Anderen zijn bang dat een handleiding te directief zal zijn. Een meerderheid staat er wel achter dat er een handleiding komt.

Behoeften die aangegeven worden voor de handleiding zijn: dat deze handzaam en praktisch is; informatief; eenduidigheid in vormgeving bevordert; de aansluiting bevordert op de cliënt; tips geeft wanneer en hoe je gebed aan kunt bieden en wanneer juist niet; aanbevelingen doet over de houding van een begeleider; informatie biedt over de structuur van het gebed; informatie geeft over kerkelijke stromingen; tips geeft over hoe om te gaan met geloofsverschillen; tips wanneer door te verwijzen naar het pastoraat en hoe er dan contact gehouden wordt met cliënt over het thema gebed.

De BW met de visie om het persoonlijk gebed van cliënten niet met woorden over te nemen of aan te vullen, geeft aan te hopen dat zij deze eigen keuzemogelijkheid kan behouden, ook na het verschijnen van een handleiding.

Intervisie

Begeleiders vinden dat er meer afstemming en gesprek over het gebed met de cliënt mag zijn in het team. Suggesties worden gedaan dat het structureel aandacht kan krijgen, dat teamleden elkaar kunnen bemoedigen, opscherpen en adviseren maar ook dat teams onderling dit kunnen doen of dat er in een themadag rondom identiteit ook specifiek aandacht is voor het gebed.

Spiritualiteit in beeld?

Om te weten hoe een cliënt zich verhoudt tot het gebed, maakt een aantal begeleiders gebruik van ‘het interview gebed’, opgesteld voor cliënten met autisme, maar ook goed bruikbaar bij andere cliënten (Van Schothorst-van Roekel, 2009). Handreikingen die vanuit de literatuur gedaan worden hoe met eigen en andermans spiritualiteit om te gaan, komen weinig naar voren in de interviews maar kunnen evenwel een goede bijdrage bieden voor de op te stellen handleiding.

3.5 Samenvatting van de beantwoording van de onderzoeksvraag

Duidelijk is geworden dat ook in dit onderzoek door sommige begeleiders een discrepantie wordt ervaren in de vraag naar en het aanbod van hulp bij het persoonlijk gebed. Dit wordt met name zo ervaren op de Reformatorische BW’s en veel minder op de Gereformeerde BW’s. Verschillen in geloofsopvattingen tussen cliënt en begeleider blijken ook nu de vraag en het aanbod te beïnvloeden, als ook wordt er onduidelijkheid ervaren in wat nu precies aan begeleiding bij het persoonlijk gebed gewenst is.

De uitkomst van het onderzoek is dat een handleiding de mogelijkheden van begeleiders kan vergroten om binnen de veelkleurigheid in kerkelijke achtergronden toch een verbinding te kunnen maken met de cliënt. Ook kunnen begeleiders er ideeën uit opdoen die hen in staat stellen cliënten zodanig te begeleiden bij het persoonlijk gebed, dat deze zich met respect bejegend voelen en er tegemoetgekomen wordt aan ieders, al dan niet aanwezige, eigen behoefte aan hulp hierbij. Daarbij moet vooropgesteld worden dat de begeleider de overtuiging heeft dat een dergelijke spirituele interventie bijdraagt aan het herstel van de cliënt.

Het opstellen van de handleiding is een vervolgactiviteit die door onderzoeker ondernomen zal worden op basis van de resultaten van dit onderzoek en met gebruikmaking van wat in de literatuur gevonden is.

Hoewel er vele praktische handreikingen uit het onderzoek naar voren komen om het gat tussen vraag en aanbod te kunnen dichten, blijft er naar de mening van onderzoeker een punt ter overweging over, namelijk of het wel ethisch verantwoord is als sommige begeleiders zich verplicht voelen iets te doen waar zij (nog) niet toe in staat zijn. En waarbij ook de vraag gesteld kan worden of een cliënt wel geholpen is met een voor hem of haar uitgesproken gebed, waarin mogelijk spanning en onzekerheid van de kant van de begeleider merkbaar is. Van Leeuwen en Cusveller (2005, p. 29) noemen in dit verband dat waar er geen bekwaamheid is voor spirituele zorg, er ook geen bevoegdheid kan zijn. Onderzoeker pleit voor openheid en respect voor mogelijk bestaande onbekwaamheid in een team, zodat er samen met de desbetreffende begeleider(s) gezocht kan worden naar mogelijkheden om hier verder in te komen. Wanneer deze begeleiders als persoonlijk begeleider bij cliënten betrokken zijn, dan dienen deze cliënten te horen te krijgen bij wie ze wel terecht kunnen wanneer zij behoefte hebben aan hulp bij het persoonlijk gebed. Op deze manier worden zowel begeleider als cliënt serieus genomen.

Indien de begeleiding op de woonvorm niet zelf kan voorzien in de behoefte van een cliënt aan hulp bij het persoonlijk gebed, dan moet gewaarborgd zijn dat het pastoraat deze zorg voor de cliënt overneemt. Het is daarbij van belang dat een cliënt weet heeft van de mogelijkheden die er zijn, zodat deze zijn behoefte zonder schroom bekend kan maken in de wetenschap dat zijn vraag beantwoord zal worden; of door de begeleiding in de BW of door het pastoraat.