Onderzoek Schematherapie en angst voor God

In de klinische praktijk zijn er aanwijzingen dat het persoonlijke godsbeeld en de religieuze achtergrond invloed hebben op de behandeling van persoonlijkheidsproblematiek. Het geloofselement lijkt een rol te spelen op dezelfde manier als hechtingsrelaties met primaire verzorgers dat doen. Dit is problematisch wanneer het persoonlijke godsbeeld of de religieuze achtergrond strijdig is met het therapeutische klimaat. Dat is het geval wanneer cliënten de angst hebben dat God hen niet accepteert en straft. Waarbij deze angst mogelijk het gevolg is van angst voor anderen, geworteld in een onveilige hechting. Waar de therapeut een houding aanneemt van volledige acceptatie, leidt de godsrepresentatie van cliënt tot angst dat hij of zij niet voldoet en afgewezen wordt. Therapeutische interventies vinden dan minder ingang en het behandelresultaat blijft achter.

Het onderzoek Schematherapie en angst voor God wordt gedaan onder cliënten met een persoonlijkheidsstoornis die ambulant of (dag)klinisch groepsschematherapie volgen. De onderzoeksvraag is in welke mate religieuze achtergrond de afname van specifieke aspecten van persoonlijkheidproblematiek voorspelt. Wanneer onderzoek laat zien dat er een verband is tussen angst voor God en het behandelresultaat, kan daar in de behandeling rekening mee worden gehouden. Dit kan door hierover het gesprek aan te gaan met cliënten en door specifiek hierop gerichte interventies in te zetten.

Dit onderzoek wordt gedaan door J. van Leeuwen